![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bahia-Blick Nieuws |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een dood aan de Grens.
Aan het einde van de spaanse burgeroorlog speelden zich hier velen tragedien af,in 1939 werden kilometer lange slangen al wachtend bij de grensovergang gezien, vluchtende republiekaanse vrachtwagens vol soldaten en honderden civilisten met alle soorten van voertuigen en de meesten ter voet, waren op de vlucht voor de overwinnende armee van Franco. In Frankrijk was de ontvangst erg koud,als ongewenste vreemdelingen werden de mensen geinterneerd in concen-tratiekampen, en dat onder vast onmenselijke toestanden. Een hel ketting van zulke kampen werd in heel zuidfrankrijk gevonden,allen in het leven geroepen door de met de Nazi's samenwerkende Vichy Regerung en veel van de vluchtelingen werden afgevoerd naar Duitsland, in de daar onstaanden Concentratiekampen, en een ander deel werd terug aan Franco uitgeleverd, wat in de meeste vallen een zekere dood betekende. ( Als dit thema U intresseert dan is een bezoek aan het museum "MUSEU MEMORIAL DEL EXILLIO" in La Junquera ,aan te bevelen ). Na zware bombardementen werd Portbou door de Franco-troepen ingenomen en het Franco regime bezette de belangrijkste Gemeenteinstellingen met Franco- aan-hangers.Een periode van onderdrukking,mistrouwen en verraad begon.Ook de gestapo installeerde met een buro in Portbou. Portbou was weer het oord van van de vluchtbeweging alleen nu in de andere richting. Na het beginnen van de tweede wereld oorlog hadden de Duitsers het grootste deel van Europa bezet .De Joden en antifacisten probeerden om via Frankrijk en daarna Spanje te vluchten en die vluchtweg liep over de Pyreneen. Een der bekenste vluchtelingen was de schrijver Walter Benjamin die hier op tragisch wijze zijn leven beendigen zal. Benjamin werd geboren in een geassimileerd joods milieu als zoon van Emil Benjamin en Pauline Benjamin - Schönflies. Zijn vader handelde met veel succes in antiek en tapijten en de familie was zeer welgesteld. Walter was de oudste van de drie kinderen van het gezin, dat nog een zoon en een dochter telde: Georg en Dora. Walter was een ziekelijk kind en werd daarom in 1905 van de afdeling Gymnasium van de Kaiser-Friedrich-Schule in [Berlin-Charlottenburg|Berlijn-Charlottenburg] genomen om in het, op het platteland gelegen, internaat Haubinda aan te sterken en verder te leren. Hier kwam hij in aanraking met het Griekse denken en leerde hij Gustav Wyneken kennen, een leraar die zeer eigen ideeën had over opvoeding en onderwijs. Kenmerkend was zijn opvatting dat de jeugd als een zelfstandige fase van het leven moest worden gezien, niet als overgang van kindheid naar volwassenheid. Na twee jaar ging Benjamin terug naar Berlijn. Onder invloed van Wyneken werd hij actief in de jeugdbeweging. De deelnemers aan deze beweging handelden vanuit de overtuiging dat alleen de jeugd de wereld kon verbeteren; dat de ouderen, en met name de eigen ouders, voorgoed waren weggezonken in comfort. Na zijn eindexamen te Berlijn in 1912 ging Benjamin filosofie studeren in Freiburg en een jaar later in Berlijn. Hij bleef actief in de jeugdbeweging: hij schreef in het tijdschrift ''Der Anfang'', waarvan Wyneken uitgever was, organiseerde debatten en in het begin van de zomer van 1914 werd hij voorzitter van de Berlijnse "Freie Studentenschaft". Tegen hem werd oppositie gevoerd door een groep die streefde naar sociale hervormingen. Benjamin geloofde daar niet in; hij zocht de oplossing van maatschappelijke problemen in intellectuele vernieuwing. In 1912 was Benjamin bevriend geraakt met de dichter C.F. Heinle, die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 samen met zijn vriendin Rika Seligsohn zelfmoord pleegde. Deze gebeurtenis deed Benjamin besluiten zich te drukken voor de militaire dienst. Benjamins vereerde leermeester Wyneken riep op tot mobilisatie, waarop Benjamin met pijn in het hart met hem en de jeugdbeweging brak. In 1915 ontmoette hij Gerhard Scholem en werd de basis gelegd voor een levenslange vriendschap. Scholem was gefascineerd door het joodse denken, hij zou later in Jeruzalem hoogleraar voor joodse mystiek worden, en heeft Benjamin vanaf hun kennismaking in die richting beïnvloed. In 1919 studeerde Benjamin cum laude af op ''Der Begriff der Kunstkritik in der deutschen Romantik''. Hij maakte plannen voor een verdere academische carrière. In 1921 en 1922 werkte Benjamin aan de tekst ''Goethes Wahlverwandschaften''. In dezelfde tijd raakten Dora en hij in een ingewikkelde serie driehoeksverhoudingen, die hun relatie geen goed deed. Dora werd verliefd op Ernst Schoen, een vriend van Benjamin, terwijl Walter Jula Cohn, de zuster van zijn jeugdvriend Alfred Cohn, als zijn eigenlijke grote liefde begon te zien. Beide relaties liepen af, maar het huwelijk van Walter en Dora overleefde deze klap niet. Vanaf 1923 bleven de echtelieden volgens Scholem alleen om financiële redenen en om het kind bij elkaar, al was het wel op vriendschappelijke basis. Benjamins vader was ondertussen begonnen druk uit te oefenen: hij vond dat zijn zoon op een bank moest gaan werken. Benjamin weigerde dat en hij wendde zich met succes om financiële ondersteuning tot zijn schoonvader, de Weense anglicist en uitgever van Herzls geschriften Leon Kellner. Dora werkte ondertussen als vertaalster voor een Amerikaanse journalist en dankzij deze twee financiële bronnen bleef het huishouden draaien. In de zomer van 1923 was Benjamin met Scholem in Frankfurt om zijn "Habilitation" voor te bereiden. Hier leerde hij Siegfried Kracauer en Theodor Adorno kennen. Wanneer hij niet onderweg was, Benjamin was een reislustig mens, woonde hij in Berlijn bij Dora. De tijd van mei tot oktober 1924 bracht hij door op Capri (eiland)|Capri, toen nog goedkoop en niet toeristisch, waar hij de eerste versie van zijn proefschrift ''Ursprung des deutschen Trauerspiels'' schreef. Hier leerde hij de Letse actrice en regisseuse Asja Lacis kennen, die zijn derde grote liefde zou worden. Deze ontmoeting en het lezen van Georg Lukács ''Geschichte und Klassenbewußtsein'' (1923) trokken Benjamins engagement en intellectuele belangstelling in de richting van de sociale beweging. Hij overwoog zelfs enige tijd lid te worden van de Kommunistische Partei Deutschlands|communistische partij. In 1925 trok hij zijn proefschrift terug nadat hem duidelijk was gemaakt dat het afgewezen zou worden. Daarmee had de universiteit voor hem voorgoed afgedaan. Hij ging zich op een andere manier van geld verdienen richten. Van maart tot oktober 1926 leefde Benjamin in Parijs], waar hij samen met Franz Hessel een aantal delen van het werk van Proust vertaalde. Daarnaast schreef hij artikelen voor de ''Frankfurter Zeitung'' en de ''Literarische Welt''. In december 1926 en januari 1927 bezocht hij Asja Lacis in Moskou. In het dagboek, dat hij toen bij hield en dat later gepubliceerd werd als ''Moskauer Tagebuch'' en in het artikel ''Moskau'' legde hij zijn ervaringen met de Russische hoofdstad vast. Terug in Parijs begon hij met ''Das Passagen-Werk'', zijn grote studie naar de wortels van de twintigste eeuwse cultuur in het Parijs van de negentiende eeuw. Hij ging intensief om met Scholem, die tijdelijk in Parijs was, en dacht weer over emigratie naar Palestina. In dit jaar experimenteerde hij voor het eerst met hasjiesj. In 1928 verschenen van Benjamins hand bij Rowohlt ''Einbahnstraße'' (opgedragen aan Asja Lacis), en ''Ursprung des deutschen Trauerspiels'', Benjamins afgewezen proefschrift. In hetzelfde jaar was Asja Lacis in Berlijn en Benjamin woonde twee maanden met haar samen. Hij wilde met Lacis trouwen en eiste van Dora dat zij van hem zou scheiden. Dat laatste gebeurde inderdaad in 1930. Lacis ging echter zonder met Benjamin te trouwen terug naar Moskou. Eén van de eerste gezamenlijke projecten van Brecht en Benjamin zou een tijdschrift moeten worden: ''Krisis und Kritik''. Na theoretische onenigheid trok Benjamin zich terug, waarna het blad door organisatorische en financiële strubbelingen niet meer van de grond kwam. Brecht en Benjamin bleven echter, ondanks hun meningsverschillen, tot aan Benjamins dood bevriend. Scholem en Theodor Adorno zagen deze vriendschap met lede ogen aan, omdat zij Brechts invloed op Benjamin niet konden waarderen. In 1930 stopte Benjamin met ''Das Passagen-Werk''. Hij bleef in zijn levensonderhoud voorzien door het schrijven van artikelen voor kranten en tijdschriften. In een brief van 20 januari 1930 aan Scholem meldt hij dat hij er naar streeft als de belangrijkste Duitse literatuurcriticus te worden beschouwd. Vanaf april 1932 was hij op Ibiza, waar hij aan ''Berliner Kindheit um neunzehnhundert'' werkte. In juli keerde hij terug van het eiland en liep een tijd met zelfmoordplannen rond. In maart 1933 vestigde hij zich, op de vlucht voor de nazi's, definitief in Parijs. In dit jaar begon hij te werken voor het ''Institut für Sozialforschung,'' waar ook Adorno een baan had. Dit instituut verschafte hem enige financiële middelen, omdat hij in Duitsland bijna niet meer kon publiceren. Van april tot september 1933 was hij weer genoodzaakt naar Ibiza te gaan. Omdat twee Duitse kranten, de ''Vossische Zeitung'' en de ''Frankfurter'', nog wel recensies en korte prozateksten van zijn hand publiceerden, alsmede door de verkoop van zijn verzameling handtekeningen, kon hij de geringe kosten van het levensonderhoud op Ibiza opbrengen. Hij at weinig en ongezond, soms enkel een reep chocola, en bleek uiteindelijk te veel van zichzelf te hebben gevraagd: eind september keerde hij met malaria besmet terug naar Parijs. Na zijn herstel ging hij op zoek naar nieuwe financiële bronnen. Met weinig succes. Alleen zijn werk voor het Frankfurter Institut für Sozialforschung bood hem enig perspectief. Het instituut, dat onderzoek deed op maatschappijkritische grondslag, was in 1932, met het oog op een te verwachten fascistische machtsovername, van Frankfurt am Main naar Genève verhuisd, en emigreerde een jaar later naar New York City. Adorno was Benjamins contactpersoon bij het instituut, dat sinds 1932 een eigen tijdschrift uitgaf: ''Zeitschrift für Sozialforschung''. De contacten tussen Benjamin en het instituut gingen met veel irritaties gepaard omdat de directeur ervan, Max Horkheimer, geen expliciet politieke uitspraken in het tijdschrift wilde hebben: hij hoopte aldus de positie van het instituut in de V.S. te beschermen. In veel artikelen van Benjamin werd geschrapt of moesten wijzigingen aangebracht worden. Deze praktijk werd vaak filosofisch en methodologisch gelegitimeerd. Benjamin had weinig keuze en slikte de meeste kritiek. Vanaf voorjaar 1934 ontving Benjamin van het Instituut 500 Franse francs per maand plus een toelage voor reizen, boeken e.d. Dat was niet voldoende om van te leven. Om de kosten van levensonderhoud te drukken woonde hij af en toe bij zijn zuster, die ook in Parijs woonde, of bij zijn ex-vrouw Dora, die een pension had in San Remo. De zomers van 1934 en 1936 bracht hij door in Skovbostrand bij Brecht. In 1934 begon hij weer met ''Das Passagen-Werk''. Het was dit project dat hem op de been hield. In de winter van 1934 - 1935 begon hij, in San Remo, met de selectie en ordening van het tot dan toe verzamelde materiaal. Hij schreef op verzoek van het Frankfurter instituut een onderzoeksvoorstel waarin hij een eerste lijn aanbracht in het materiaal voor het ''Passagen-Werk'': ''Paris, die Hauptstadt des XIX. Jahrhunderts''. Op grond van dit voorstel was het instituut bereid bij te dragen aan de kosten van het onderzoek voor het ''Passagen-Werk''. Het kwam er op neer dat Benjamin voor dat onderzoek tijd vrij kon maken. In 1936 organiseerde de stalinistische bureaucratie de eerste politieke showprocessen in Moskou. Benjamin zag het gebeuren verbijsterd aan. Kort daarop zocht hij in Parijs contact met een groep rond Georges Bataille en het tijdschrift ''Acéphale''. In hetzelfde jaar, 1936, publiceerde hij ''Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit'' (Ned. [[Het Kunstwerk in het Tijdperk van de Mechanische Reproductie]]) - over de politieke betekenis van de film - en verscheen in Luzern van zijn hand ''Deutsche Menschen'' onder het pseudoniem Detlef Holz: een verzameling van 26 door Benjamin becommentarieerde brieven uit de jaren 1783 - 1883.De twee jaren daarop werkte hij, om iets te kunnen publiceren in ruil voor zijn stipendium, naast het ''Passagen-Werk'', aan een boek over Baudelaire, dat uit het materiaal van het Passagen-Werk samengesteld zou moeten worden. Bij zijn laatste bezoek aan Brecht in Denemarken, in de zomer van 1938, schreef hij grote delen van het tweede deel van dat boek. Dat deel zou onder de titel ''Das Paris des Second Empire bei Baudelaire'' in het ''Zeitschrift für Sozialforschung'''' gepubliceerd moeten worden. In september stuurde hij de tekst naar New York. Het artikel werd door Adorno gekraakt en Benjamin werkte het jaar daarop een deel van deze tekst opnieuw uit: ''Über einige Motive bei Baudelaire'' verscheen in januari 1940.
In april 1939 zat Benjamin nog in Frankrijk. Hij had al eerder pogingen gedaan de Franse nationaliteit te krijgen, zonder succes, en probeerde nu voor het eerst een vlucht naar de V.S. te regelen. Ondertussen werkte hij verder aan ''Über einige Motive bei Baudelaire''. Hij stuurde de tekst eind juli naar New York. Bij de inval van Duitse legers in Polen, op 1 september 1939, werd Benjamin, als Duitser, geïnterneerd in een kamp bij Nevers. Hij gaf in het kamp cursussen filosofie voor gevorderden tegen betaling van drie Gauloises of een broekknoop. Bovendien was hij van plan een kamptijdschrift op te zetten om op die manier verlof te krijgen in de stad naar de bibliotheek te gaan. Voordat het zover was werd Benjamin, door bemiddeling van met name Adrienne Monnier en Jules Romains in november weer vrijgelaten. Hij keerde terug naar Parijs, waar hij de stellingen ''Über den Begriff der Geschichte'' schreef.
In het zuiden van Frankrijk was inmiddels de met de Duitsers samenwerkende regering Pétain aan de macht. Terugkeer naar Frankrijk zou daarom voor Benjamin uitlevering aan Duitsland en uiteindelijk het concentratiekamp betekenen.Met dat vooruitzicht maakte hij in de nacht van 26 op 27 september met een overdosis morfine, die hij voor een dergelijk geval bij zich had, een einde aan zijn leven. De douanebeambten lieten, waarschijnlijk onder de indruk van Benjamins dood, de rest van de groep alsnog de grens passeren. JCH/BS
-
- Ein Rundgang durch Manresa - Hier entstand der Jesuitenorden Manresa is een plaats in de Spaanse regio Cataluyna, in de provincie Barcelona , in de comarc Bages . Manresa telt ongeveer 71.000 inwoners en is één van de vele voorsteden van Barcelona Manresa ligt op 250 meter boven zeeniveau, en op de niet-officiële grens tussen de industriële agglomeratie van metropoo lBarcelona en de natuur van Catalonië.Manresa is een wichtig Zentrum Ignatius van Loyola Zoals in heel veel van de spaanse steden gaat de oorsprong terug in de Romeinse Tijden ,toen werd de stad Minoresa ,meer als misschien een grote marktplaats met wat huizen zal het echt niet geweest zijn.Pas na de inval uit noord afrika door de moren begon de stad en haar omgeving door de strategische ligging een zekere vorm van gewicht aan te nemen,vooralgezien door het inzetten van Spanje voor het Christendom,hier was ook Guifré el Pelós ( Wilfred de Behaarde) een van de eerste heersers in dit gebied,en een machtig Graafschap tegen de Islam stichte en zich verbond met anderen graagschappen tot aan de Pyreneen : El Comtat de Manresa. Wie vandaag de dag Manrese bezoekt wordt weinig geconfronteerd met het roemrijkeverleden,de verwoestingen en opbouw van jesuieten klosster ewz.Het stadje is nu meer een Centrum van industrie en handel,velen fabrieken maken hier een uitstekende welvaart.Toch is een rondgang door de stadt de moeite waard.Het beste beginnen we aan de stadtkern op de Placa Sant Domenés ten noorden van de eigelijke stadskern.Hier venden we in Jugenstil bouwwerken het Kultuurhuis - la Casa de Cultura - Den Passeig Charles III wordt door vele katalanen als de 2e flaneer-boulevard van Spanje gezien , de allee met zijn oude en machtige Platanenplatanen,de boom,die in vele dorpen als Embleem van Katalonien gezien wordt.Heeft U noh lust op meer te bezichten dan gaan wij verder naar het Benediktinklooster Sant Benet aan de landstraat naar Vicin het dorpje San Fruitos de Bages ,het klooster stamt uit het jaar 1000 , en wert gedurende 800 jaren verbouwd en vergroterd,heel zienswaart is de kruisweg rijkelijk versiert met Bijbelse schilderingen en periodes van het plaatselijke leven gedurende den honderden jaren.,hetzou haast onvoorstelbaar als deze kunstschat ongeschonden door de eeuwen gekomen.In 1835 was er een grote onteigening van Katholiek en kerkbezit in Spanje vele kunstzaken gingen verloren of verdwenen in privabezit en zo verloren voor het nageschlacht,en werden vervangen door goedkope immietaties.
Gravenvesting en Toverburcht - El Castell de Quermanco (Carmanzo) Dennoch hat man von dort aus einen umfassenden Blick auf die weite Ebene des Empordan und die umliegenden Berge. De vesting werd van Graaf Ponc I van Empuries in de jahren 1100 aangelegd.Opgravingen hebben bewezen dat de berg in de romeinse en westgotische tijd al een rol van belang speelde,gezien haar belangrijke en strategische ligplaats,vele malen belagert en verwoest werd de burcht steeeds weer opgebouwd,een vlaag van romantiek ligt over de plaats en de tragische handelingen hebben tot ontstaan van fabels gevoerd. Lange tijd was de burcht de plaats waar het "Archiewf" vanb de Grafeb van Empuries bewaard werd gezien de uitspraken uit de tijd " het is den besten plek met aan 3 kanten muren, dit waren belangrijke dojumenten die de rechten en plichten van de Grafen,hun onderdanen en hun diplomatieken rechten beschreven. In 1128 en 1138 verschanste zich de kanphaan Ponc Hugo II in de vesting,als de machtige Graaf van Barcelona ,Ramon Berenuer III en IV een veldtocht tegen hem ondernamen. Die ook de titel Heer von der Provincia en Koninkrijk van Aragon werden en abosolute souvereinhiteid verlangden waartegen Pons zich verzette. Hij werd gefangen genomen in in eigen burcht fast gehouden tot aan de vrede waarin Pons zich verplichte den burg voor altijd te sluiten. Dat is niet volkomen gelukt want 1i 1228 werd de burcht van enige Kruisridders van de Koning Phillipe van Frankrijk belagert en vernichtigd.Toen stond de Graaf van Empuries aan de zijde van de Koning van Aragon Pere II,waartegen de Paus een gevolglose kruistocht had bevolen. In de jaren 1400 was de burcht in handen de Adelijke Vilarig,en die mochten met toestemming van de Bisschop van Gerona een altaar in de Burchtkappel Sant Pere inrichten,om daar hun missen te kunnen lesen. Het volk en vele Sageschrijfers hebben vele geruchten met de Burcht verbonden,b,v, het verhaal van de gouden geit (cabra d`or) die under de burcht begrafen is. De legendarische Joden van Villajuiga ,een koningin of ein Morenkoning habben zich op de vlucht verborgen.Zij worden tot op heden van dage noch gezien ,beiden met een Demon op de rug om de bezoekers af te schrikken. Dali, was verliefd op de burcht en kwam met zijn nicht om naar de gouden geit te zoeken,hij verklaarde dat de zonondergang op de burcht aan te zien was het mooiste spektakel in de wereld. Ook wordt verteld van een Grafin,Theresa van Molins,die haar adelijke stand wisselde voor een hoofdfrau te worden van een roversbende die de omgeving terroriseerde en die sich in 1826 in de kelder van de burcht met haar bande gemeenschappelijk zelfmoord begin door zich in de lucht te springen door het werpen van een fakkel in het door de fransen achter gelate buskruit. Weiterhin wird von einer Gräfin, Teresa von Molins, erzählt. Sie verließ ihr adliges Leben, um sich einer Räuberbande als Anführerin anzuschließen. Endlich war sie ihrer Untaten und der Streitereinen unter der Bande müde. 1826 ging sie mit einer Fackel in den Keller der Burg und sprengte sich mitsamt ihren Genossen und ihrer Behausung mit den Resten des Schießpulvers, das die Franzosen hinterlassen hatten, in die Luft. De gral wordt verbonden met de Burcht Salvador in San Pere de Rode en Parzival,zo is Quermanco dat tegenstuk,hier had de grote tovenaar Klinschor gewoond en die hat vele kostbaarheden en een grote schat verzameld.Hij,die wegens een liefdesaffaire " ontmant " was gunde geen man of vrouw wat goedes (Wolfram van Eschenbach, Parzival ).Hij hield op het slot een veelfout van vrouwen gevangen. Wie meer wil lesen over deze romanen kan die vinden in het internet onder www.castelldequermanco.es
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||